Orgelpunt -  Adegem

Toen in 2011 het orgel in de Sint- Adrianuskerk te Adegem gerestaureerd was en door Edward De Geest en Mgr Van Looy ingespeeld was, stond men in Adegem voor de vraag: wat nu? Enkele mensen van goede wil en met cultureel besef uit Maldegem en Adegem hebben ‘Orgelpunt Adegem’ opgericht om doelbewust het orgel te ondersteunen in zijn functie als liturgisch instrument en als concertinstrument.

Sindsdien zijn banden gesmeed tussen de plaatselijke kerkfabriek, het cultuurcentrum ‘Den Hoogen Pad’, de fusiegemeente Maldegem en de gemeenschap van Adegem. Orgelpunt beoogt niet enkel orgelcultuur en muziekcultuur uit te dragen maar wil ook het sociaal weefsel rond het centrum: kerk, school en cultuurcentrum helpen in stand houden.

Orgelpunt Adegem is ondertussen uitgegroeid tot een organisatie die sinds 2011 jaarlijks enkele concerten heeft georganiseerd, die een succesvolle weerklank bij het publiek hebben gekregen.

Het duo Peter Thomas, orgel, en Benoît Laurent, barokhobo,  speelden op 20 -10 - 2019 het volgende programma                                                                                   

                                                                                     J.S. Bach: Toccata en Fuga (BWV 565)

                                                                                               G.P. Telemann, Sonata in a

                                                                           J S. Bach: Christ lag in Todes Banden (BWV 718)

                                                                                             Sammartini, Sonata prima in e

                                                                                   J.S. Bach: Triosonate in c (BWV 526) 

                                                                                 J.L. Krebs, Fantasia in f für Oboe und Orgel

                                                                             J.S. Bach: Wachet auf, ruft uns die Stimme (BWV 645)                                                                                                                                            G. F. Händel: Sonata for oboe & b.c. in F (HWV 363a)

Duo Falk (Lieselotte Crols – altviool, Mattijs Louwye – orgel)

Zondag 28 oktober 2018 om 15u30

Sint-Adrianuskerk, Adegem

 

  • Dietrich Buxtehude (1637-1707): Praeludium in D-dur, BuxWV 139
  • Marin Marais (1656-1728): La Follia
  • Georg Friedrich Telemann (1681-1767): Konzert in G-dur für Bratsche, TWV 51: G9
    • Largo
    • Allegro
    • Andante
    • Presto
  • Johann Sebastian Bach (1685-1750): Arioso, BWV 156 (Cantate “Ich steh mit einem Fuss im Grabe”)
  • Joseph-Hector Fiocco (1703-1741): Allegro
  • Antonín Dvoƙák (1841-1904): Humoresque, op. 101 nr. 7
  • Astor Piazzolla (1921-1992): Ave Maria (Tanti anni prima)
  • Mattijs Louwye (°1992): Falk Medley

     

ORGEL - TRAVERSO – VIOLA DA GAMBA – KLAVECIMBEL

HET TRIO ALANCI:

ALEX COUCKE & CINTHA VAN DEN BULCKE & AN VANBECKEVOORT

SINT ADRIANUSKERK  ADEGEM

Zondag  15 oktober 2017 15.30u

PROGRAMMA

 

 

ORGELPUNT ADEGEM

 

 

Orgelpunt Adegem laat dit jaar, 2017, de muziek van enkele bekende barokke grootmeesters spreken: Couperin, Marais, Bach en Telemann wiens dood (1767) wij dit jaar herdenken. Een lijn in dit programma brengt ons naar het Franse hof, het hof te Dresden en de vrijstaat Hamburg. Een tweede lijn laat de  gelijkenissen en verschillen klinken van stukken uit een orgelmis van Couperin en uit de orgelmis van Bach (Clavierübung Dritter Theil). Een derde aspect van dit programma laat ons naast orgel kennismaken met drie andere barokinstrumenten: de viola da gamba, de traverso en het klavecimbel.

 

 

 

De flauto traverso of kortweg traverso is een fluit die in tegenstelling tot de blokfluit of flauto dolce dwars ten opzichte van het lichaam wordt gehouden. Het instrument is uit Azie via Byzantium naar West-Europa gekomen tijdens de middeleeuwen. Tijdens de renaissance werd het instrument populair in het leger en verspreidde zich zo in heel Europa. De barokke traverso kreeg een sterke impuls rond 1700 onder meer door de Franse spelers en de fluitbouwers.        Het instrument verschilt grondig van de moderne, de zogenaamde „Böhmfluit“. Dit zowel in speeltechniek en klank als in bouwmateriaal en estetiek.

 

 

 

 

 

 

De viola da gamba ofte beenviool werd ook een naam gegeven die de positie van het instrument ten opzichte van het lichaam aanduidt: het instrument rust op de benen van de bespeler. De viola da braccio word op de arm genomen, de viola da spalla op de schouder. De viola da gamba kan groot of klein, laag of hoog zijn van klank zoals de violen of beter gezegd de strijkers. Hoewel de vorm globaal gelijkenis vertoont met de vioolfamilie zijn gamba’s en violen uit twee verschillende milieus gegroeid: de violen uit de de praktijk van de de middelleeuwse speellieden en de gambafamilie is geëvolueerd uit tokkelinstrumenten die men begon te strijken en deze instrumenten werden vooral in de hogere middens bespeeld.

De basgamba, die het meest als soloinstrument wordt gebruikt kan tot zeven snaren tellen en bezit zo een grote omvang of tessituur. Dit instrument kende wellicht zijn hoogtepunt in de Franse barokmuziek met de ronkende namen van Marin Marais en Antoine Forqueray, beide tijdgenoten van François Couperin.

 

Deze laatste brengt ons naar een hoogtepunt van het derde instrument dat we u vandaag presenteren: het (of de) klavecimbel. De oorsprong van dit instrument ligt in de late middeleeuwen en is verwant met het hakkebord en met tokkelinstrumenten.                             

 

 

Het instrument wird gecultiveerd en ontwikkeld tussen de late 15de eeuw en de late 18de eeuw. ,Het repertoire van het klavecimbel is indrukwekkend in hoeveelheid en kwaliteit. Hier ook is er een wereld van verschil tussen het klavecimbel en de moderne piano. Het klavecimbel is in zijn bestaansperiode als soloinstrument gebruikt maar had van nature nog meer de taak de begeleiding, de zogenaamde basso continuo, van alle soorten muziek op zich te nemen.

 

 

 

PROGRAMMA

 

Ensemble Alanci

 

Concert premier                                                                                François Couperin (1668-1733)

Uit  « Concerts Royaux »   1722 :  Prélude, Allemande, Sarabande, Gavotte, Gigue, & Menuet en trio

In het voorwoord tot deze koninklijke concerten schrijft F. Couperin:”De stukken die volgen zijn anders dan wat ik tot hiertoe heb gepubliceerd (orgel en klavecimbel). Ze zijn niet alleen geschikt voor het klavecimbel maar ook voor de viool, de traverso, de hobo, de gamba en de fagot. Ik componeerde ze voor de kleine kamerconcerten waarvoor  Louis Quatorze me bijna elke zondag van het jaar liet komen…” het eerste concert is een danssuite voorafgegaan door een plechtige prélude. De toonspraak van Couperin past volledig in het kader van Versailles waar heel veel nadruk lag op alles wat de Zonnekoning nog meer kon laten schitteren: rijke, gesofistikeerde harmonie, versieringskunst van het hoogste ambachtelijk niveau, welvoeglijke welsprekendheid die als het ware in muzikale regels werd gegoten vooral door Jean Baptiste Lully. Couperins muziek is virtuoos in de verfijning, in het subtiele. Onder de schitterende oppervlakte is er steeds een rijke muzikale diepte.

Les Idées Heureuses & La Florentine                                              F. Couperin

Uit Deuxième Ordre du Premier Livre de Pièces de Clavecin   1713

Couperin stelt zich zelf voor op de titelbladzijde van de “Concerts Royaux” als “Organiste de la chapelle du Roy; ordinaire de la Musique de sa Chambre; et cy-devant Professeur-maître de composition, et d’accompagnement de MONSEIGNEUR LE DAUPHIN Duc de Bourgogne, Père de sa

MAJESTÉ” .

In deze hoedanigheden en als freelance musicus bij alle culturele satellieten rond Parijs en Versailles had Couperin al vele klavecimbelwerken gecomponeerd voor hij in 1713 zijn eerste boek uitgaf ; hij gaf nog drie verdere boeken uit. Hij noemt iedere suite “ordre” omdat hij niet langer de klassieke suite volgt maar naast de klassieke dansstukken andere delen invoegt die zoals deze dansen voorzien zijn van een beschrijvende titel of een naam. Recent onderzoek spitst zich met wisselend succes toe op het achterhalen van de betekenis en de literaire en soms politieke achtergrond van deze titels. “Les idées Heureuses” zijn nog niet geïdentificeerd maar slaan wellicht op de gelukkige compositorische invallen die Couperin mocht beleven. Het stuk had zeker veel betekenis voor de componist daar hij zich door Bouys liet portretteren met deze partituur in de hand. “La Florentine” zou twee personen kunnen naar voren brengen: Florent Dancourt, toneelspeler en auteur, die met zijn uiterst aangename welsprekendheid, overal een gegeerde gast was of de mooie danseres La Florence die een verhouding had met Philippe d’Orléans, Duc de Chartres.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 La Reveuse                                                                                              Marin Marais (1656-1728)

Uit « Suitte d’un Gout Etranger » Pièces de Viole du Quatrième Livre 1717

Marin Marais was een leerling van Lully en van Monsieur de Sainte Colombe.  Hij bouwde een carrière uit aan het Franse hof en is bekend als een van de belangrijkste componisten voor de viola da gamba. In zijn eerste boeken met muziek voor de gamba huldigt hij de toen gebruikelijke stijl en componeerde prachtige danssuites maar in het vierde boek volgt hij een trend waarbij de muziek meer descriptief wordt, gestuurd door de verbeelding, muziek die voor de gangbare smaak vreemd aandoet en grenzen verlegt. Het was wellicht ook een voorbeeld van de muziek die hij zelf voordroeg en die zowel muzikaal als technisch hogere eisen stelde. “La Reveuse” is een zeer melancholisch stuk in rondeau-vorm (met refrein). Filmkenners zullen hier wellicht een motief uit de film “Tous les matins du monde” herkennen.

 

Orgel

Uit « Messe pour les Convents de Religieux et Religieuses »  1690 F. Couperin                                                        

Kyrie,  Fugue,  Duo,  Chromhorne en taille &  Offertoire sur les Grands Jeux.

François Couperin erfde de betrekking als organist aan de kerk van Saint Gervais van zijn vader Charles toen hij pas elf was en in opleiding. De hoforganist Jacques Denis Thomelin gaf de getalenteerde jongen verdere opleiding tot hij 18 jaar oud de belangrijke organistenpost in de Saint Gervais kon opnemen. In 1690 geeft Couperin zijn eerste werken uit die twee orgelmissen omvatten, een voor de parochies en een voor de kloosters. De Franse organisten gaven “Pièces d’Orgue” uit en volgden daarbij een nogal vast stramien wat de inhoud en de registerkeuze betreft. De bedoeling was dat het orgel een vers van de gezongen misdelen speelde en dat het volgende vers gezongen werd en zo alterneerden organist en zangers de gehele mis. De keuze uit de 21 delen van de mis voor de Kloosters werd gemaakt om enkele typische genres en registraties te kunnen laten horen: de Plein Jeu (prélude op het plenum), de Grand Jeu (fuga op de trompetten), een Duo (tweestemmige inventie op de tertsen), een Cromhorne en Taille (de melodie op de kromhoorn in de tenorligging met de begeleiding erboven en de bas op het pedaal) en het  Offertoire sur les Grands Jeux ( feestelijke muziek tijdens de offerande op de trompetkoren). Deze muziek staat in sol groot; volgens Charpentier (1690): doucement joyeux.

 

 

 

Uit Clavierübung III  1739                                                                         J.S. Bach (1685-1750)

Kyrie, Gott Vater,    Allein Gott in de höh’ sei Ehr,    Dieß sind die heilige zehn Geboth,    

Wir glauben all an einen Gott   &  Vater Unser in Himmelreich.

Dritter Theil der Clavier Übung bestehend in verschiedenen Vorspielen über die Catechismus- und andere Gesaenge, vor die Orgel:

Denen Liebhabern, in besonders denen Kennern von dergleichen Arbeit, zur Gemüths Ergezung verfertiget von Johann Sebastian Bach,

 Koenigl. Pohlnischen und Churfürstl. Saechss. Hoff-Compositeur, Capellmeister, und Directore Chori Musici in Leipzig. In Verlegung des Authoris.

 

 

 

 

 

 

 

Na de publicatie van de twee eerste delen van de Clavierübung met klavecimbelmuziek komt Bach met orgelmuziek op de markt. Zoals hij zelf schrijft gaat het hier om voorspelen op de kerkelijke gezangen die de kern uitmaken van de protestantse liturgische diensten: Kyrie en Gloria en de zogenaamde catechismus-gezangen. Kyrie en Gloria werden soms nog in het Grieks en Latijn uitgevoerd gebruik makend van oudere polyfonie of van concerterende nieuwe muziek of in de Duitse vertaling op een koraalmelodie. Bij de gezangen die tot de catechismus behoren, herkennen we ook het Credo en het Onze Vader.

Bach schreef het werk niet enkel met praktische bedoelingen en geïnspireerd door collega’s maar voegt er graag de notie bij dat het ook tot het genoegen van muziekkenners kan gelezen en of uitgevoerd worden. Eerst zijn de grote koralen gecomponeerd, daarna het grote praeludium en de tripelfuga en tot slot zijn er ook de manualiter koralen en de vier duetti aan toegevoegd. Het geheel is daardoor allerminst een verzamelmandje van oudere en nieuwere composities geworden. Bach heeft hier alles uiterst planmatig met veel getallensymboliek en structuur samengesteld om een keure te bieden aan mogelijke invalshoeken en stijlen om deze koralen vorm en inhoud te geven.  Het behoort tot de mogelijkheden dat Bach delen uit dit werk tijdens zijn bezoek aan Dresden in November 1736 heeft uitgevoerd.

Uit de –zoals bij Couperin- 21 delen zijn hier enkele manualiterkoralen uitgekozen die een rijke verscheidenheid aan stijlen en genres vertonen.

Kyrie, Gott Vater in Ewigkeit

Dit koraal gebruikt de eerste noten, een stijgende kwart, van het koraal om deze te imiteren en om te keren, te verdubbelen in tertsen en sexten om een voorbeeld te scheppen hoe Bach de oude polyfonie alla Frescobaldi laat opleven.

Allein Gott in de höh’ sei Ehr

Het Duitse Gloria wordt hier voorgesteld in de middenstem met een soort tweestemmige inventie gecombineerd in wat een meer eigentijdse “Galante stiijl” kan genoemd worden. De bovenstem en de basstem concerteren met elkaar met gebruik van zestiende noten en trioolzestienden, grote sprongen en een levendige uitdrukking van de tekst.

 

 

 

Dieß sind die heilige zehn Geboth

Deze versie van dit koraal schijnt haar vorm, een gigue  in fughettavorm, te danken te hebben aan Luthers aansporing om de geboden van God blijmoedig aan te pakken. Er zijn 10 geboden dus ook 10 inzetten van het thema waarvan een gedeelte in omkering.

Wir glauben all an einen Gott  

Dit korte koraal staat exact midden in het gehele werk en krijgt daarom de stijl van een franse ouverture met gepunte ritmes mee. Ook in andere werken heeft Bach dit gedaan. Hij gebruikt de eerste noten van het koraal om ons via enkele dramatische akkoorden  naar het slot te leiden.

Vater Unser in Himmelreich

Het Onze vader laat de melodie in de bovenstem horen zonder versiering. De andere stemmen omspelen in achtste en zestiende dalende of stijgende noten deze melodie. De zestienden komen overeen met een deel van de tekst: “en wil ons bidden hebben”. Dit bepaalt wel de rust van deze koraalzetting, die de sfeer van het Kyrie opnieuw oproept.

Ensemble Alanci

 

Nun komm der Heiden Heiland  BWV 659                                            J.S. Bach

Uit manuscript met “de Achttien Koralen” Leipzig 1739 – 1741

Van dit koraal voor de adventstijd heeft Bach wel een vijftal orgelbewerkingen gemaakt en twee cantates. De bewerking die we hier horen is de meest bekende en sluit wat opbouw betreft aan bij het werk van Böhm maar is superieur in de uitwerking van de begeleidingsstemmen en het snit van de versierde melodie.

Bach had in zijn Weimarperiode (1708-1717) deze compositie al gemaakt maar heeft deze bewerking herzien rond 1740.De melodie van het koraal is ontleend aan het gregoriaanse “veni, redemptor gentium”.  Bach laadt deze melodie op met barokke uitdrukkingskracht en maakt er een diepgaande meditatie van. Er werd hier gekozen om dit orgelstuk in trio-bezetting te spelen wat een ander licht werpt op deze compositie.

Triosonate in a    TWV 42: a7                                                              Georg Philipp Telemann (1681-1767)

Andante,  Allegro,   Adagio & Allegro Uit Mus. ms. 1042/87 Landesbibliothek Darmstadt

 

 Georg Philipp Telemann was de zoon van de Diaconus aan de Heilig-Geist-Kerk Heinrich Telemann en zijn echtgenote Maria Haltmeier.

Hij kreeg zijn muzikale opleiding van de Magdeburger organist en cantor

Benedikt Christiani. Zijn vader was vroeg overleden en zijn moeder wilde

zijn muzikale neigingen afremmen. Zij stuurde hem in 1698 naar het

gymnasium te Hildesheim, maar daar werd zijn muzikaal talent opnieuw

bevorderd. Telemann mocht zelfs de organist en cantor van de Sankt

Godehardkerk te Hildesheim vervangen en kon in Braunschweig en

Hannover aan opera-uitvoeringen deelnemen. Op wens van zijn

moeder ging hij in 1701 te Leipzig aan de universiteit rechten studeren.

Op weg naar Leipzig kwam hij in Halle in contact met de jonge Georg Friedrich Händel. Zij werden goede vrienden. Al spoedig schreef Telemann cantates voor de Leipziger Thomaskirche en besloot componist te worden. In 1702 stichtte hij een Collegium musicum met studenten, waarvoor hij openbare concerten organiseerde. In hetzelfde jaar werd hij tot artistiek directeur van de Leipziger Opera benoemd en begon hij aan zijn eerste opera's. Verder was hij als organist en muziekdirecteur aan de Nieuwe Kerk te Leipzig werkzaam. In 1705 werd hij kapelmeester in Sorau (Zary) aan het hof van Graaf Erdmann von Primnitz. In Sorau  maakte hij kennis met Erdmann Neumeister, van wie hij later teksten als grondslag voor composities gebruikte en die hij later in Hamburg zou weerzien. In 1706 werd hij Hofkapelmeester aan het hof van Hertog Johann Wilhelm van Saksen-Eisenach, waar hij J. S.Bach leerde kennen.

 

Telemann schreef ooit over het componeren van triosonates het volgende: “Bij het componeren van trio’s heb ik het altijd zo gedaan dat de tweede stem de eerste scheen te zijn en dat de bas een natuurlijk verloop kreeg ter ondersteuning van iedere noot in de bovenstemmen op zo’n wijze dat het niet anders kon. Men heeft me er ook altijd mee gevleid dat ik in het componeren van trio’s mijn sterkste kant liet zien.”

De sonate in a volgt met zijn indeling: matig, snel, traag, snel de gangbare sonata da chiesa. In het eerste deel krijgen we een dialoog tussen de traverso en de gamba die het beginmotief verder ontwikkelen. Het tweede deel is een fugato waar een krachtig thema met de versvoet lang-kort-kort of de dactyle uitgespeeld wordt tegen de lange liggende noten van de tegenpartijen. Het derde deel, adagio brengt ons naar de klagende toonaard mi-klein met vele zuchtmotieven. Deze worden in het dansante allegro weggewuifd om in dalende toonladders het einde te bereiken.

 

 

 

 

Alex Coucke

Vatte te Gent de studie aan van de oude muziek bij Johan Huys om er in 1977 een diploma klavecimbel te behalen. Later vervolledigde hij zijn opleiding aan de conservatoria in Antwerpen en Brussel met eerste prijzen harmonie en kamermuziek. Hij werd leraar klavecimbel aan de kunsthumaniora’s te Gent, Antwerpen en Brussel en lesgever oude-muziekvakken aan de conservatoria te Gent en te Antwerpen. Hij trad op in binnen- en buitenland als solist en als lid van “Melopea” en “Das Neueröffnete Orchestre”. Hij was leraar klavecimbel en samenspel aan de academies van Eeklo, Gentbrugge, Gent en Lokeren

 

An Vanbeckevoort

 

Begon met blokfluit in de muziekacademie van Izegem toen ze 8 jaar was. In 1982 behaalde ze hiervoor haar eerste prijs in het muziekconservatorium van Brussel. Ze volgde nadien verschillende masterclasses bij Kees Boeke. Zodra ze was afgestudeerd, begon haar loopbaan in het onderwijs. Ze geeft les in verschillende academies o.a. De Kunstbrug in Gentbrugge. Ook in de jaren 80 bloeide er, naast de liefde voor de blokfluit, die voor de viola da gamba. Margriet Tindemans begeleidde haar eerste boogstreken. In 2014 studeerde ze af bij Thomas Baeté  in de academie van St.Lambrechts-Woluwe. Ook voor gamba ging zij op stage, bij gerenommeerde gambisten zoals Alison Crum, Ivanka Neeleman en Johanna Valencia.

 

Cintha Van den Bulcke

 

Studeerde dwarsfluit in de Kunsthumaniora bij Yves Gazelle en aan het Gentse muziekconservatorium bij Paul De Winter maar gaf in 1989 haar loopbaan een andere wending. In 2008 werd heimwee naar het musiceren té groot en stapte ze naar de muziekschool om door Jan Van den Borre in het traversospel te worden ingewijd. Ondertussen nam Esther Van Acker de fakkel over. Alex Coucke versterkte haar voorliefde voor de barok en begeleidde haar in de les “ensemble” doorheen de finesses van het samenspelen.

 

Trio Alanci

Alanci is samengesteld uit deze drie musici, die elkaar vonden in de academie van Gentbrugge, de “Kunstbrug”. Ze brengen concerten die meestal rond thema’s zijn opgebouwd zoals de muziek uit de Nederlanden, Telemann of zoals dit jaar de Franse barokmuziek.

 

 

 

Orgelpunt Adegem Orgelrecital Peter Thomas Zondag 19 oktober 2014

Een grote lijn die zich in dit programma aftekent is de familie Bach en twee oudere componisten die in de schoot van de Bachfamilie in ere werden gehouden.

Dit programma laat ons ook even smaken van de Franse muziek, die op dit orgel nog beter tot zijn recht komt dan de Duitse muziek die we zullen horen.

Het orgel is door de eeuwen heen ontwikkeld tot een instrument van hoge perfectie verknocht aan de kerk als geloofsgemeenschap en de kerk als gebouw. Beiden hebben mekaar gevonden en Kerk en orgel hebben steeds een vruchtbare samenwerking gekend.

Onze huidige maatschappij geeft aan deze samenwerking van orgel en kerk veelal een minder strakke binding tot soms zelfs een verwaarlozende omgang met het orgel maar reikt tegelijkertijd ook een ongekende rijkdom aan. Meer dan vroeger ooit het geval was kunnen we nu terugkijken en luisteren naar instrumenten die in hun originele toestand zijn teruggebracht of deze toestand sterk benaderen. Wij hebben nu de mogelijkheid om op vele plaatsen in Vlaanderen en daarbuiten de rijke verscheidenheid aan stijlen en muzikale vormen te horen op instrumenten die deze rijkdom kunnen gestalte geven.

Ook hier in Adegem is zo een instrument gerealiseerd en hebben we al vele malen de rijkdom van dit instrument samen met de muziek die er passend kan op gespeeld worden, kunnen bewonderen.

De orgelcomponisten van hun kant waren evenzeer grotendeels aan de Kerk verbonden maar hebben altijd ook profane muziek gecreëerd.

De muziek die vandaag wordt gespeeld kan door de componisten ervan gebruikt geweest zijn in de liturgie maar ook in concerten en optredens voor adellijke en koninklijke hoven of zelfs voor benoemingscommissies en ter gelegenheid van inspelingen van nieuwe orgels.

Het orgel van Adegem is een product van de meest vooraanstaande orgelbouwersfamilie in Vlaanderen in de XVIIIde eeuw en tot een heel eind in de XIXde eeuw: de familie Van Peteghem en is door de firma Lapon uit Diksmuide gerestaureerd. De schoonheid van de klanken en kleuren, die in deze bouwersfamilie werd gecultiveerd en die hier op passende wijze is gerestaureerd en gereconstrueerd, is het beste aanknopingspunt voor iedere luisteraar.

Ik bedoel hiermee dat als men naar orgelmuziek wil luisteren dat men zich best laat leiden door wat klinkt zonder al te veel bezig te zijn met de vragen over de muziek, de componisten en het technisch aspect van het orgel.

De kok mag dan wel een woordje ter inleiding zeggen op het menu maar het proeven en smaken vindt plaats door het opeten van wat gepresenteerd wordt.  Zoals heerlijke gerechten onze mond en hersenen beroeren zo moet het orgel klinken in de kerkruimte en ons beroeren. We kunnen rustig het programma overlaten aan de keuken: de componist, de orgelbouwer en de speler bieden het ons op een schotel. Wij kunnen er onze tanden, misschien beter onze oren, onze harten in zetten.

 

 

 

 

Passacaglia in d BuxWV 161                                     Dieterich Buxtehude (1637-1707)

 

Buxtehude en generaties voor en na hem gingen de uitdaging aan zich te meten met het genre van de passacaglia. In oorsprong was deze, geïmporteerd uit Zuid-Amerika, straatmuziek, dans en zang, van soms zeer laag allooi. De passacaglia werd later zoals bvb. de sarabande verheven tot hofmuziek niet in het minst onder impuls van Jean Baptiste Lully. Het is een combinatie van een terugkerend basmotief met daarboven een kunstig weefsel van motieven en variaties. Buxtehude giet zijn passacaglia in een uitzonderlijk fijn gestructureerde pasvorm van vier delen die de tonen van het grondakkoord van re-klein doorlopen: re klein, fa groot, la klein en terug naar re klein.

 

De Nederlandse organist Piet Kee ziet in de vier delen de afbeelding van de vier maanfasen. Het basthema verschijnt 28 keer: 4 x 7 en deze 7 wordt telkens ingedeeld in 4 + 2 + 1. Deze onderverdelingen vormen precies de opbouw voor een van de “perfecte getallen” in de barokke wereld. Onder de duizend zijn deze  6, 28 en 496. Hoewel J.S. Bach een nog veel indrukwekkender passacaglia voor orgel componeerde, is dit werk voor Bach van grote betekenis geweest en heeft het hem in hoofdlijnen en details geïnspireerd. Het is ten andere de Bachfamilie die dit werk heeft bewaard en overgeleverd.

In de kerk waar Buxtehude organist was bevond zich een astronomisch uurwerk met o.a. de maanfasen.

 

 

Vater Unser im Himmelreich                                                               Georg Böhm (1661–1733)

 

Men vermoedt dat Böhm een van Bachs leraren is geweest. Hij had in elk geval een grote invloed op Bach en hij heeft Bach de weg gewezen naar Hamburg met zijn vooraanstaande muzikale cultuur en instrumenten en bovenal J. Adam Reincken.                                                                                                                                 Het orgelkoraal over “Vater unser im Himmelreich” is een voorbeeld van de synthese van de verschillende stijlen die Böhm in zijn jongere jaren had leren kennen in Hamburg. De stappende bastonen zijn Italiaans van oorsprong, de vele versieringen zijn dan weer Frans geïnspireerd en de harmonie heeft een Duits karakter. Het geheel doet eigenlijk denken aan een aria voor zang, strijkers en basso continuo. Böhms orgel- en klavierwerk werd eigenlijk maar overtroffen door het werk van Bach zelf, die er voor gezorgd heeft dat een aantal van deze uitmuntende composities bewaard zijn gebleven en in de schoot van de familie Bach werden gekoesterd.

 

Suite du Premier Ton (Second Livre d’ Orgue 1700)            Jacques Boyvin (1653-1706)

Prélude Grave - Prélude à Deux Choeurs – Duo – Fugue Grave – Récit Tendre –  Grand Dialogue                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            

Boyvin, die waarschijnlijk in Parijs werd geboren, werd organist in Rouen en bleef dit tot zijn dood. Hij was de opvolger van Nicolas De Grigny, een van de meest prestigieuze componisten voor het orgel in Frankrijk.         

Bach zelf kopieerde muziek van De Grigny.   Boyvin kon te Rouen beschikken over een viermanualig Clicquot-orgel m.a.w. het grootste van het beste. Boyvins orgelmuziek past volkomen in wat in Frankrijk gebruikelijk was, namelijk opeenvolgende delen (suites) die telkens qua inhoud en sfeer een min of meer geijkte muziek boden om de verschillende delen van de mis in te leiden of ermee te alterneren. Hierbij moeten we bedenken dat deze orgelspelers dergelijke muziek in de eerste plaats improviseerden en dat de neerslag ervan in boeken in de eerste plaats voor de minder getalenteerde en gevormde organisten bedoeld was. De titels kunnen voor zichzelf spreken maar houden ook in welke combinatie van registers gebruikt moeten worden. Het zijn dezelfde combinatiemogelijkheden die hier toen in Vlaanderen gebouwd werden; onze orgels echter waren zelden voorzien van meer dan twee klavieren.

 

Nun komm, der Heiden Heiland (BWV 659)          Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Van dit koraal voor de adventstijd heeft Bach wel een vijftal orgelbewerkingen gemaakt en twee cantates. De bewerking die we hier horen is de meest bekende en sluit wat opbouw betreft aan bij het werk van Böhm maar is superieur in de uitwerking van de begeleidingsstemmen en het snit van de versierde melodie.

Bach had in zijn Weimarperiode (1708-1717) deze compositie al gemaakt maar heeft deze bewerking herzien rond 1740.De melodie van het koraal is ontleend aan het gregoriaanse “veni, redemptor gentium”.  Bach laadt deze melodie op met barokke uitdrukkingskracht en maakt er een diepgaande meditatie van.

O Gott, Du Frommer Gott (BWV 767)                                                      J.S. Bach

Ook hier volgt Bach het voorbeeld van Georg Böhm en anderen, namelijk een koraalpartita of een koraal met variaties. Ook hier overtreft Bach het voorbeeld door het werk in iedere variatie van motieven te voorzien die eenheid binnen iedere variatie scheppen en contrast tussen de negen variaties. Bach volgt daarenboven ook de tekst van de verschillende strofen van het koraal om het karakter van iedere variatie gestalte te geven. De twee laatste variaties vallen op door het gebruik van respectievelijk een sterk chromatisch gekleurde harmonie en het concerterend gebruik van twee klavieren.

 

Sonata in D                                                                              Wilhelm Friedemann Bach (1710-1784)

Bachs tweede kind, zijn oudste zoon Friedemann, werd aanzien als de meest begaafde onder zijn kinderen. Hier de anekdote door C.F. Cramer in 1792 genoteerd en ooit gehoord van Friedemann Bach zelf.

“Der alte Sebastian hatte drey Söhne. Er war nur mit dem Friedemann, den großen orgelspieler, zufrieden. Selbst von Carl Philipp Emanuel sagte er (ungerecht!): ’s is Berliner Blau! ’s verschießt – Auf den Londner Chrétien Bach wandte er den Gellertschen Vers immer an: Der Junge kömmt gewiß durch seine Dummheit fort!

“De oude Sebastian had drie zonen. Hij was slechts over Friedemann, de grote orgelspeler, tevreden. Zelfs zei hij (onterecht!) van Carl Philipp Emanuel: ‘t is Berlijns blauw, ’t gaat af! Op (zijn jongste) de London Christian Bach paste hij het versje van Gellert toe: De jongen komt er wel, door zijn domheid!

Hoewel de muziek van Friedemann Bach minder invloedrijk was dan die van Carl Philipp Emanuel en heden ten dage ook minder gekend is, valt de hoge kwaliteit van de componist altijd op. De sonate in D heeft de kenmerken van de toonaard re-groot. Cramer (1786) beschrijft die als volgt:

Der Ernst wird verdraengt, das sanfte verschwindet, und ausgelassene, oft niedrige Lustigkeit vertritt seine Stelle. Ganz die Tonart fuer drollichte Stücke und lustige Taenze.

Ernst wordt verdrongen, het zachte verdwijnt en uitgelaten, soms bescheiden opgewektheid komt in de plaats. Het is helemaal een toonaard voor leuke stukken en vrolijke dansen.

Friedemann Bach combineert die lichtheid en tweestemmigheid met een doordacht gebruik van dialoog tussen bovenstem en bas. Een goede compositie en vrolijkheid hand in hand.

 

Preludium in D                                                                      Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788)

Meer dan zijn oudere broer werd C.P. E. een vernieuwer in de muziekwereld van de tweede helft van de 18de eeuw. Ook in het preludium in re-groot is de typische stijl van Emanuel Bach aanwezig. Deze stijl wordt als behorend tot de klassiek beschouwd en krijgt er de vermelding bovenop van “Sturm und Drang” , “Empfindsame Stil” en zelfs “pré-romantisch”.

 

Het preludium in D werd teruggevonden in de bundel orgelsonaten opgedragen aan de zuster van Frederik II, Prinses Amalia, voor haar nieuwgebouwd huisorgel. Deze prinses was een beschermvrouwe van de muziek en de bibliotheek die ze naliet, is nu een van de belangrijke bibliotheken voor het onderzoek naar de muziek uit haar tijd.

Het werk is een typisch voorbeeld van de stijl van C.Ph.E. Bach: de contrasten tussen de openingsakkoorden en het vlugge volgend deel zijn groot en in dit vlugge deel worden ook contrasten gemaakt door het gebruik van twee klavieren en worden de imiterende stemmen soms tot de orde geroepen in unisono ’s; een techniek die ook in de symfonieën van C.Ph.E. veel gebruikt wordt. Het zijn deze technieken die het karakter van storm en drang en van de “gevoelige” stijl in de verf zetten.

 

 

Sonata in d                                                                        Johann Wilhelm Hertel (1727-1789)           

Allegro Moderato  -  Adagio un poco andante  -  Presto

J.W. Hertel stamde uit een muzikantenfamilie en werd net als J.S. Bach te Eisenach geboren. Hij studeerde bij belangrijke meesters viool en klavecimbel en had contact met de grote muziekcentra in Duitsland. Hij werd hofcomponist bij de hertog van Mecklenburg-Schwerin waar hij later ook hofraadgever en persoonlijke secretaris werd van de prinses.

In zijn sonata laat ook hij de “gevoelige” stijl horen door de contrastwerking van ritmisch stevige motieven in contrast met zachtere melodische passages. Het tweede deel is in re-groot en heeft een nog meer “gevoelige” harmonie.   Het derde deel heeft wat het karakter van de gigue, de vlugste en wildste dans uit de barokke suite maar gebruikt ook hier contrastwerking tussen piano en forte en in afwisseling in de basstem tussen een begeleidend karakter en een dialogerend karakter. Deze  sonata laat zien hoe onderhoudend en kunstvol Hertel weet te vertellen  in een eerder beknopte vorm.

 

                                                            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ORGEL  PETER LEDAINE

ZANG  HILDE COPPÉ

 

SINT ADRIANUSKERK  ADEGEM

Zondag 25 oktober 2014

 

 

ORGELPUNT ADEGEM

 

Music for a while

Wat muziek tijdens een zondagnamiddag. Zal deze muziek al uw zorgen wegtoveren? In het toneelstuk ‘Oedipus” van John Dryden en Nathanael Lee naar Sophocles zijn meesterwerk wordt halverwege op een hoogtepunt in het drama deze song ingelast. Muziek om de tragedie te bestrijden. Zal deze muziek de tragedie rond de middellandse zee bestrijden?                                    

Nee, de muziek zal ons een rustpunt aanbieden hier en nu om alle tragedies rondom ons, die verder en verder gaan, anders en beter te zien en te verstaan om zo tot handelen te komen.

Het programma van vandaag heeft iets van de middellandse zee: aangename en ook verraderlijke stranden, woeste bergen, vulkanen en heerlijk fruit. Enkele componisten leefden ook aan deze zee maar het beeld van de verscheidenheid domineert omdat wij u een programma met orgelmuziek presenteren samen met gezongen muziek hier en daar en “for a while”.

Een lijn is er wel in de orgelmuziek: Sweelinck, de grote leraar, heeft onrechtstreeks bijna alle hier gespeelde componisten beïnvloed. Bach staat aan het einde van die lijn en heeft het zijne meegepikt van al deze voorgangers en van de meeste componisten die hier vandaag gezongen worden.

Deze programmatoelichting bevat hier en daar gegevens die met de brochure van dit concert niet overeenstemmen. De uitleg hieromtrent is eenvoudig: al decennialang is de bundel “Arie Antiche” een schatkamer voor aankomende en professionele zangers. Allesandro Parisotti publiceerde deze bundel in 1890 en beschikte toen niet over de kennis die men nu al heeft vergaard over al die aria’s en canzonetti. Hij nam het ook niet te nauw met dit aspect en voegde er ook, onder beroemde namen, eigen stukken aan toe. Het is pas tijdens de laatste decennia dat uitvoerders en musicologen de herkomst van deze stukken zijn gaan screenen en in een beter perspectief zijn gaan zetten.

PROGRAMMA

Music for a while  Z. 583 (1692)                                                                          Henry Purcell (1659 – 1695)

Henry Purcell was de belangrijkste componist in het Engeland van de tweede helft van de 17de eeuw. Zijn muziek omvat alle genres die in die tijd gebruikelijk waren en hij beheerste op sublieme wijze zowel de oudere stijlen als de nieuwe. Zijn kerkmuziek, klaviermuziek, kamermuziek en theatermuziek worden tot vandaag in ere gehouden. De drie volgende “songs” behoren tot deze theatermuziek.

 

 

 

                                                                                          

If music be the food of love Z.379 (1690)                                                           Henry Purcell

Sweeter than roses    Z.585 (1695)                                                                      Henry Purcell

 

Ballo del Granduca   variaties                                                         Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621)

Het thema van deze compositie is ontleend aan een dans met als titel: “O che nuovo miraculo”        uit La Pellegrina van de hand van Emilio de’ Cavalieri ter gelegenheid van het huwelijk in 1589 van de Groothertog Ferdinando I de’ Medici met Cristina van Lorreinen. Dit thema is in Europa populair geworden en heeft aanleiding gegeven tot een honderdtal nieuwe composities of bewerkingen.

Het oeuvre van J.P. Sweelinck is een onmiskenbaar hoogtepunt geweest rond 1600: hij componeerde zowel uitstekende vocale muziek, in de strict polyfone stijl, als klaviermuziek die deze polyfone stijl integreerde in een modernere toonspraak. Hij werd daardoor ook de leraar bij uitstek voor al wie in de noordelijke landen klavier studeerde. Zijn faam was internationaal en zijn invloed van betekenis voor alle hier vandaag gespeelde werken.

Dits Sweelinck's sterfelyk deel, ten troost ons nagebleven
't Ontsterfelyk hout de maet by Godt in 't eeuwig leven
Daer streckt hy, meer dan hier omvatten ons gehoor
Een goddlycke galm in aller Enghlen oor.

(grafschrift).

 

 

Praeludium in C BuxV 137                                                                       Dietrich Buxtehude (1637 – 1707)

Dit praeludium of voorspel is in feite een meerdelig werk waarin drie stijlen zich voorstellen. De delen zijn met elkaar verbonden met overgangen in een meer improvisatorische stijl en het laatste deel sluit ook zo af. Het eerste deel stelt de “Stylus Fantasticus” in het licht: de fantasie en de afwisseling hebben de bovenhand op wat streng gecomponeerd is. Daarna wordt de tweede stijl, het contrapunt in een vrije fuga voorgesteld die ook uitmondt in een overgang naar de derde stijl. Buxtehude besluit zijn praeludium met een dans: de chaconne, die van de Franse hofmuziek haar weg vond in heel Europa en zich succesvol liet aanpassen aan alle soorten instrumenten. Boven een basthema dat herhaald wordt ontwikkelen zich nieuwe ideeën. Het hele praeludium is doorspekt met virtuositeit, expressieve harmonie, afwisseling en grootsheid.

 

Il mio bel foco                                                                            Francesco Bartolomeo Conti (1681 – 1732)

 

Deze Italiaanse mandoline- en theorbespeler, geboren in Firenze, werd beroemd en kreeg de uitnodiging om in Wenen hofmuzikant te worden. Hij schreef er opera’s, oratoria en cantates.

Uit een van deze succesvolle opera’s komt de aria ‘Quella fiamma’. Deze werd vroeger toegeschreven aan Benedetto Marcello. Het korte recitatief ‘Il mio bel foco’, dat eraan voorafgaat, kan van Alessandro Parisotti zijn of van Carl Bank. Dit alles doet niets af van de charme van deze muziek. Zowel Händel als Bach hebben later muziek van F.B. Conti bewerkt en gebruikt.

 

 

Pur dicesti, o bocca bella                                                                          Antonio Lotti    (1667 – 1740)

Deze Venetiaanse componist bouwde een carrière uit aan de San Marco te Venetië. Kort voor zijn dood werd hij er kapelmeester. Hij werd bekend en gewaardeerd als operacomponist was in heel Europa. Ook zijn werk werd vlijtig door Händel en Bach bestudeerd.

“Pur dicesti, o bocca bella” komt uit de opera “l’Infedeltà punita”. Deze opera is van Antonio Lotti maar de aria zelf zou ook van C.F. Pollarolo kunnen zijn want Lotti en Pollarolo hebben samengewerkt aan de opera, een praktijk die toen niet ongebruikelijk was.

 

 

Vater unser im Himmelreich                                                                        Georg Böhm (1661 – 1733)       

Men vermoedt dat Böhm een van Bachs leraren is geweest.  Hij had in elk geval een grote invloed op Bach en hij heeft Bach de weg gewezen naar Hamburg, de stad met zijn vooraanstaande muzikale cultuur en instrumenten en bovenal  J. Adam Reincken. Het orgelkoraal  “Vater unser im Himmelreich” is een voorbeeld van de synthese van de verschillende stijlen die Böhm in zijn jongere jaren had leren kennen in Hamburg. De stappende bastonen zijn Italiaans van oorsprong, de vele versieringen zijn dan weer Frans geïnspireerd en de harmonie heeft een Duits karakter. Het geheel doet eigenlijk denken aan een aria voor zang, strijkers en basso continuo. Böhms  orgel- en klavierwerk werd eigenlijk maar overtroffen door het werk van Bach zelf, die er voor gezorgd heeft dat een aantal van deze uitmuntende composities bewaard zijn gebleven en in de schoot van de familie Bach werden gekoesterd.

 

Praeludium in g                                                                                          Nicolaus Bruhns (1665? – 1697)

Nicolaus Bruhns heeft in zijn korte leven (zelfde periode als Purcell) genoeg gepresteerd en ondernomen om nu nog van zich te laten horen. Samen met Buxtehude staat hij aan de top van de zogenaamde “Noord Duitse school”. Zijn muziek had zowel de muzikale diepte kenmerkend voor de 17de eeuw als de technische verbreding, die in Bach haar hoogtepunt zou vinden.                                       

Er bestaat een zekere twijfel of dit werk van Bruhns is ofwel van Brunckhorst. Ook dit werk is praeludium genoemd maar laat zich in praeludium en fuga opsplitsen. Het praeludium heeft iets mee van een ensemblewerk voor twee violen en bas waar de dialoog zich vooral afspeelt tussen de bovenste stem en de solobas. Zowel de rechterhand als het voetenspel hebben hun soli die uitmonden in het samengaan van alle stemmen. De vlotte beweging wordt onderhouden tot ze moet wijken voor enkele meer expressieve passages.

De fuga heeft een thema dat op typisch Noordduitse wijze herhaalde noten bevat en ook hier verwantschap toont met het vioolspel. Deze fuga heeft een ietwat rustige gestage gang door enkele toonaarden en door hoog en laag en doet het karakter van sol klein recht. Volgens J. Mattheson is sol klein de allermooiste toonaard, zowel voor het liefelijke als voor ernst in het opgewekte.

 

Piangero  uit ”Guilio Cesare” HWV 17                                                                G.F. Händel (1685 – 1759)

Uit een van de gekendste en meest gespeelde opera’s die Händel produceerde komt deze wonderlijke aria die zowel klacht als woede onvergelijkelijk uitdrukt. Het is een schoolvoorbeeld van Händels kunst om voor de stem te componeren.

 

Ch’io mai vi possa  uit HWV 24                                                                                   G.F. Händel

Uit de opera ”Siroe, King of Persia” komt deze aria van Händel. Händel voerde deze opera op te Londen in 1728 met een uitgelezen schare solisten waaronder La Cuzzoni en La Bordoni en in de hoofdrol Senesino de beroemde castraat. Het was Faustina Bordoni, echtgenote van de beroemde componist Hasse, die deze aria zong.

 

 

Werde munter mein Gemüte   P498                                                   Johann Pachelbel (1653 – 1706)

 

Johann Pachelbel beoefende, zoals vele van zijn tijdgenoten, de kunst van het variëren op eigen thema’s of op bestaande koralen. “Werde munter mein Gemüte” is een koraal waarvan de tekst geschreven is door Johann Rist, die veel samenwerkte met de componist van de melodie: Johann Schop.      Deze laatste gaf de melodie uit  in “Himlischer Lieder”   te Lüneburg in 1642.

Bach gebruikte een variante van deze melodie in het beroemde slotkoraal van zijn cantate BWV 147:    Jesus bleibet meine Freude.

 

Praeludium en fuga in G BWV 541                                                      Johann Sebastian Bach (1685 – 1750)

 

Deze muziek werd door Bach in Leipzig gecomponeerd en behoort tot zijn latere orgelwerken. Zoals bij Bruhns is er hier ook een solo die door een heel orkest wordt beantwoord en is er ook hier dialoog tussen handen en voeten. Het geheel wordt uitgebouwd met de beginelementen: toonladders en gebroken akkoorden. Bachs oudste zoon, Wilhelm Friedemann speelde het werk in Dresden om er de organist van de Sophienkirche met zijn nieuw Silbermannorgel te worden.           Het succes bleef niet uit. Praeludium en fuga hebben sol groot als toonaard: sprekend, insinuerend en voor zowel ernstige als opgewekte stukken geschikt. Aldus J. Mattheson. De fuga heeft een eenvoudig thema dat Bach naar het einde toe meer ingewikkeld en dramatisch maakt.

 

Amarilli mia bella                                                                                        Giulio Caccini (1550 – 1618)

 

Het begin van de 17de eeuw in Italië werd gekenmerkt door vernieuwing in de muziek. Naast het stemmenweefsel van de polyfonie ontstond er de monodie: een stem begeleid door een akkoordinstrument werd het nieuwe model naast die polyfonie en gaf zo de start aan een kunstrichting die we barok noemen. Met zijn “Nuove Musiche” (1601) zette Caccini een mijlpaal in die richting. De uitgave bevat naast de monodieën ook een soort manifest of handboek over die nieuwe stijl van zingen. “Amarilli mia bella” werd een hit en raakte verspreid over geheel Europa in tal van bewerkingen .

 

 Non posso disperar                                                                 Giovanni Battista Bononcini (1670 – 1747)

 

Bononcini was een van Händels grote rivalen in de operawereld te Londen. Voor die tijd was hij o.a. werkzaam te Rome waar hij enkele aria’s kon toeleveren aan een operaproductie waaronder deze “Non posso disperar” De manuscripten ervan worden nu nog in het Vaticaan bewaard. Bononcini onderstreepte de vele affectgeladen woorden, wanhoop, hoop, genot, zoet verlangen en dierbare smart, met voor die tijd uitgesproken moderne harmonieën. Alessandro Parisotti schreef deze muziek verkeerdelijk toe aan ene Severo de Luca.

 

        

 

 

Se Florindo è fedele                                                                               Alessandro Scarlatti   (1660 – 1725)

In 1698 schreef Alessandro Scarlatti te Napels de opera “La donna ancora è fedele”. “Se Florindo” is een typische ritornello-aria: de componist maakt gebruik van een luchtig refrein als contrast met de andere meer gevoelsgeladen delen in de tekst.

 

 

 

 

 

 

 

 

Maak een Gratis Website met JouwWeb